Travel

Reportage | Mongolië: de overvolle leegte

Van de wolkenkrabbers van Ulaanbaatar tot de joerten op de steppe waar de laatste grote groep nomadische herders vertoeven. Deze fantastische reis door Mongolië, het land van de blauwe wolf, is er een van uitersten.
Reading time 13 minutes

De steppe doemt op door het vliegtuigraampje. Een beetje bruin, ruw, droog. Het groen van de lente heeft zijn intrede nog niet gedaan. We vragen ons af waarom ons vliegtuig zich zo ruw door de lucht beweegt boven een landschap dat zo stil is. Gaandeweg zien we hekken opduiken en barakken met gekleurde daken. En dan plotseling: Ulaanbaatar. Dzjengis Khan Airport. De Grote.

De Archetypische, De Millennium Man, zoals de Washington Post hem noemde, heet ons welkom. Temüjin was zijn oorspronkelijke naam. Er werd hem verteld dat zijn land was ontstaan uit een unie tussen de blauwe wolf en de getaande hinde. Maar de nomadische krijger, de charismatische stichter van het moderne Mongolië, geloofde meer in veroveren dan in sprookjes. Hij deed Centraal-Azië en het middeleeuwse Europa trillen op hun grondvesten en richtte een imperium op dat op zijn hoogtepunt van Korea tot aan de Donau strekte.

Daarna volgde de neergang. De grenzen van het Mongoolse rijk veranderden: de Mongolen vielen ten prooi aan de Chinese Ming- en Qing-/Mantsjoe-Dynastie en het Russische Rode Leger. Na de ineenstorting van de Sovjet-Unie in de jaren negentig keerden de Mongolen terug naar de voorouderlijke wortels. Sovjet-idolen vielen van hun sokkel en Dzjengis Khan herwon zijn plaats op het nationale altaar.

We zijn hier dus in een land met een immense geschiedenis dat drie keer zo groot is als, pak ’m beet, Frankrijk, ingeklemd tussen de twee giganten Rusland en China. Een land met de laagste bevolkingsdichtheid ter wereld, waar de laatste grote groep nomadische herders wonen.

DZJENGIS TOWN

De aankomst in Ulaanbaatar is verrassend. De stad huisvest ongeveer 1,5 miljoen inwoners, de helft van de bevolking van het land. Op elk moment van de dag is het een rokende maalstroom vol smog en getoeter. Een stedelijke chaos waar het Sovjet-brutalisme vermengd wordt met enorme, Chinese woonflats en enkele prachtige boeddhistische tempels die de Stalinistische zuiveringen van de jaren dertig hebben overleefd.

Actieve energiecentrales, nieuwe winkelcentra en half afgemaakte bouwprojecten staan naast perfect afgewerkte exemplaren. Het vat de groei die het land doormaakt goed samen. Het indrukwekkende en zeer geavanceerde Shangri-La Hotel is daarvan een voorbeeld. Vanuit hier heb je een fraai uitzicht op de stad en de omliggende bergen die zich uitstrekken naar het noorden. Maar de tegenstrijdigheid keert terug in het zicht op de beruchte ger-districten.

Deze sloppenwijken, waar de wegen onverhard zijn en elke winter duizenden gezinnen in de giftige dampen van hun kolenfornuizen zitten, maken Ulaanbaatar tot een van de meest vervuilde steden ter wereld. De sloppenwijken worden bevolkt door voormalige nomaden, verjaagd door de dzud, de zeer strenge winter die de steppe geselt. De winters zijn verschrikkelijk en kunnen hele kuddes van de aardbodem doen verdwijnen. Neem de dzud van 2000-2001: deze vaagde zo’n tien miljoen dieren van de planeet.

Vandaar dat de nomaden hier gestrand zijn op een stukje waarop ze recht hebben, maar die hun verder geen enkele garanties biedt. Een heftig idee als je je blik vanuit de hotelkamer zo over deze wijken laat gaan. Wie verder kijkt ziet in de verte de bruine bergketen die de hoofdstad ‘omsingelt’. Op een van de flanken prijkt een gigantisch getekend portret van Dzjengis Khan. Op naar de nadere kant van de bergketen. 

GROENE OCEAAN

Na een ochtendzegening in de grote joert van het boeddhistische klooster van Gandan verlaten we de hoofdstad op weg naar Zuid-Changai, ongeveer 250 kilometer verderop. Eenmaal voorbij de buitenwijken en de enorme begraafplaatsen die de berg bedekken slingert de asfaltweg als een lint door het landschap. Er is weinig tot geen overgang tussen stad en platteland.

Al snel dient de steppe zich aan. Heuvelachtig en droog biedt deze continu nieuwe vergezichten. Het landschap en reliëf verschillen constant en doen de enorme vlakte nog groter lijken; we worden bijna door het landschap opgeslokt. De eerste kudden verschijnen, grazend op een gras- en vegetatiearm stukje land, terwijl de hemel nog groter dan normaal lijkt en de voortdurende wind alles opdroogt.

Volgepakte vrachtwagens, in de verte zigzaggend tussen de kuilen, laten een lange stofwolk na. Een enkele joert in de wijde omgeving is het enige bewijs dat er hier daadwerkelijk nog iemand woont. Na vier monotone uren rijden, stuurt onze chauffeur plotseling naar links; het lijkt alsof hij uit het raam springt. Hij draait van het asfalt af en probeert tractie te vinden in het zachte mengsel van zand en gras. De 4x4 slingert en schokt en dan duikt het Sweet Gobijoertkamp eindelijk als een fata morgana op.

Het ligt erbij als een witte rozenkrans op een tapijt van gras, omringd door de zandduinen van Elsen Tasarkhai. In de verte steken de boogpaarse bergen van het Khogno Khan-massief af tegen het blauw. Ons eerste basiskamp op onze ontdekkingstocht in het centrum van Mongolië is als een oase in de woestijn. Na kilometers reizen zonder een levende ziel te zien krijgen we plotseling een kleine geurende handdoek en een kom melk aangereikt. Twintig smetteloze joerten staan hier, in een landschap zonder grenzen. De tenten dwingen om ons continu rond te kijken en het kamp, al 360 graden draaiend, tot ons te nemen: de totale rust, het lichte briesje, de zachte warmte. Aan de horizon beweegt een kudde. Dit tafereel is misschien wel duizend jaar oud.

Het leven in een joert heeft iets perfect plezierigs: een soort terugkeer naar je jeugd, een soort ‘geheime hut’-gevoel. Comfortabel én spartaans. In de middag bezoeken we meneer Khuyagaa, die niet ver van ons kamp woont. Hij is herder en heeft een kudde van tweeduizend geiten, schapen, paarden en koeien. Zijn vrouw en een van zijn dochters ontvangen ons. We ontdekken hoe het gezinsleven op deze 25 vierkante meter is georganiseerd: een uitgebalanceerde cirkel, vier functionele windstreken en een centrale verwarming.

De Mongoolse joert is duidelijk ingedeeld: deur op het zuiden, de gasten op het noorden, vader in het westen en moeder in het oosten, aan de kant van de oven. We zien ook enkele matrassen voor de, vaak in grote getalen aanwezige, kinderen. Enkele tapijten dienen ter decoratie, aangevuld met familiefoto’s, een portret van de Dalai Lama en medailles en trofeeën die op de Naadam gewonnen zijn.

 

Op dit grote jaarlijkse festival worden drie mannelijke sporten beoefend: paardenrennen, worstelen en boogschieten. Maar we ontwaren ook een telefoon en televisie. En overal verborgen in het traliewerk van de joert zien we spullen uit het dagelijks leven. Naast de kachel bevindt zich een mand met gedroogde houtblokken en mest. Op de centrale salontafel staat een schaal met crème fraîche en er worden sandwiches gemaakt. Er zijn warme yoghurt, gezouten thee, snoepjes en koekjes. Wanneer hij door de deur van de joert binnenkomt moet meneer Khuyagaa flink buigen. Hij begroet ons en zijn brede glimlach toont een rij bruine tanden.

Zijn vrouw, die op het bed zit, waakt over haar kleinzoon. De man haalt zijn tabaksdoos tevoorschijn en deelt uit. Iedereen neemt wat tabak. Rituele hoffelijkheid. De periode van het kammen van kasjmiergeiten is voorbij. Meneer Khuyagaa kijkt tevreden rond. Binnenkort zal zijn familie de joert opvouwen om ergens anders heen te gaan. De winter komt eraan; de Baikalwind verplettert de zomerse hitte. Niets zal het ecosysteem van de ger verstoren. Deze microkosmos van hout, canvas en vilt, simpelweg op de grond geplaatst, gaat op in de oneindige steppe. En laat geen sporen na.

MONGOOLS PASTORAAL 

Als we terugkeren naar het Sweet Gobi-kamp, horen we de klanken van de morin khuur, ofwel paardenkopviool, citer en fluit. Enkele muzikanten uit Ulaanbaatar, vergezeld door een jong slangenmens, geven acte de présence terwijl de zon ondergaat. De kou doet ons terugkeren naar de joert. Daar loeit de kachel en krijgen we kleine, bloedhete handdoeken aangereikt die geparfumeerd zijn met etherische pijnboomolie. Hier is luxe ecologisch en spaarzaam. Er is uiteraard geen stromend water of elektriciteit. De wc is ouderwets. Eenmaal gewassen en opgewarmd door een kamelenwollen deken kunnen we de kaarsen uitblazen.

De volgende ochtend gaan we onder een blauwe hemel op pad om andere nomaden te ontmoeten. Onze karavaan van Bactrische paarden en kamelen, die in de lente nogal lelijk zijn omdat ze hun royale wintervacht verliezen, leidt ons door duinen en weilanden naar een heldere rivier waar geiten en schapen met al hun jongen komen drinken. De herders met hun urga – een lange houten stok en touw om de dieren mee te vangen – kijken toe. Van tijd tot tijd trekt een witte plek op het gras de aandacht: we zien een schedel, ribben, een dierlijk karkas.

Lange tijd lieten de nomaden hun geliefden ook zo achter. Begrafenissen bestonden niet: de doden werden gewoon op de grond achtergelaten, teruggebracht naar de steppe, een teruggave aan de natuur. Even verderop schittert de zon in een klein meertje, waar jonge paarden en kraanvogels zich hebben verzameld. Het volgende decor is compleet anders: een soort granieten maanlandschap, een paar kilometer verderop op de flanken van Khogno Khan. Daar bevindt zich het kleine Hambiin Hiid-klooster, dat in de zomer bewoond wordt door enkele monniken.

Mevrouw Altaa, die ernaast woont, opent de deuren naar de heilige plaats die rond 1990, toen de religieuze vrijheid werd hersteld, herbouwd werd. Het oorspronkelijke klooster, gebouwd in de zeventiende eeuw, werd vernietigd tijdens de Sovjet-zuiveringen. Bijna alle zevenhonderd kloosters van het land werden onder Stalin gesloopt en de monniken geëxecuteerd of gedeporteerd naar Siberië.

Het boeddhisme, in de zestiende eeuw geïmporteerd uit Tibet, is de grootste religie in Mongolië. Twee generaties lang was het aanbidden van goden verboden. Maar de tempels die er nog steeds staan of herbouwd worden trekken nu opnieuw de mensen aan. Toewijding tot de Dalai Lama gaat niet zonder slag of stoot met China, de belangrijkste klant en de op een na grootste leverancier van Mongolië. Desondanks staat een prachtige foto van de Tibetaanse leider prominent tentoongesteld in de tempel van de Vijf Hemelse Goden, tussen kleine hoopjes gerst en gele boter, tussen hemel en aarde. 

THE GREAT BEYOND

We dalen af van de granieten bergen en koersen richting Orhon-vallei. Onderweg stoppen we bij een herdersfamilie die ook vilt vervaardigt. Bij onze aankomst slaan twee mannen krachtig op de in pakjes gerangschikte pakjes rauwe wol die op een canvasdoek op het gras liggen. Dit doen ze om de vezels te scheiden. Daarna wordt het goedje natgemaakt, opgerold en samengebonden. De rol wordt vervolgens op een paard gehesen, waarna het dier ongeveer een uur op de steppe alleengelaten wordt. Zo droogt het water op en wordt de rol compacter.

Deze traditionele technieken en het behoud daarvan worden door UNESCO gemonitord. Er is zelfs een nationale viltfeestdag, op 22 juli. Terwijl het paard op het platteland staat uit te waaien met zijn rol vilt, eten wij van een geit met boven hete stenen gestoofde groenten. Het vlees is vers en sterk van smaak. De zon is fel en er is nergens schaduw. We verlangen naar de koelte van onze joert, maar vervolgen onze weg naar het tweede kamp van Frédéric Roman-Hauduroy, de eigenaar van Sweet Gobi en Ursa Major. Hij is een groot kenner van Mongolië en komt er al twintig jaar.

 

De Fransman zwierf er twee jaar rond om de beste plaatsen te vinden voor het stichten van zijn geolodges. Het zijn plekken die zowel opmerkelijk mooi als goed bereikbaar zijn voor degenen die de regio willen ontdekken. Ze zijn centraal gelegen, in gebieden waar de rijkste archeologische en historische overblijfselen zich bevinden, en dat in een land waar nog maar zo weinig is overgebleven. Ursa Major ligt op een plateau met uitzicht op de Orhon-rivier, omringd door bergen zover het oog reikt. Het is een adembenemend mooie plek, zonder oriëntatiepunt. Geen voor of achter, geen west of oost. Niets is te zien aan de zijkanten, alleen de oneindige schoonheid die ons omringt. Als de nacht valt, settelen we ons onder de sterren. 

OMVANG EN OVERLEVEN

We zijn nog enigszins slaapdronken als we de volgende ochtend weer op weg gaan. Weg kun je het nauwelijks noemen: meer een sliert die zich als de draad van Ariadne door het landschap slingert. We zien verrassende dingen, zoals een groep vliegeraars, marmotten, wilde honden en hele families die zich op weg naar school op de steppe per motor vervoeren. Maar ook hertenstenen, oude megalieten die dateren uit de Bronstijd, duizenden grazende dieren, een pasgeboren veulen dat nog steeds in een witachtige placenta gewikkeld is en zijn zorgzame moeder.

 

 

En ovoo, heilige stapels stenen met kleurrijke vlaggen, trillend in de wind, hun toppen de richting van de hemel wijzend. Ze hebben het animisme en sjamanisme overleefd. We laten onze 4x4 in de weide staan en lopen door een bos van lariksen naar de Tovkhon Khiid-tempel. Deze werd in 1648 op 2300 meter boven de zeespiegel gesticht door de toentertijd veertienjarige Zanabazar. Hij was de eerste Jebtsundamba Koetoektoe, het hoofd van de gelugtraditie binnen het Tibetaans boeddhisme in Mongolië. In deze tempel heeft de grote spirituele leider in de zeventiende eeuw het Soyombo-alfabet gemaakt, waarvan het eerste teken de Mongoolse vlag siert.

De tempel is van oneindige schoonheid. We zien geverfd hout, groene pannendaken, stoepa’s, gebedsmolens, meditatiegrotten, heilige bomen en bovenaan een ovoo. De tempel is de laatste van een religieus ensemble dat oorspronkelijk uit veertien tempels bestond. Sinds 1993 leeft hier een lama in alle rust en eenzaamheid. We dalen af naar Karakorum en komen weer in contact met de tijdelijkheid en het materiële leven op een markt. Hier zijn van wagentjes en containers geïmproviseerde kraampjes gemaakt, die doen denken aan de tijden van de grote reizigers en handelaren zoals Marco Polo of Willem van Rubroeck, die zich hier waarschijnlijk net zo de ogen uitkeken als wij.

De plaats heeft vandaag de dag niets meer te maken met de prachtige, eeuwenoude door Dzjengis Khan gestichte hoofdstad, die in 1380 door de Chinezen werd verwoest. Maar het blijft een plek die voor altijd een zweem van een gouden eeuw behoudt. In de schitterend Erdene Zuu-tempel, net buiten de stad, gebouwd door de grootvader van Zanabazar en in tweeën gehakt door Stalin, nemen we een laatste flinke ademteug en ruiken we de rook van jeneverbes. Ondertussen beginnen de monniken aan een litanie.

Terwijl we terugrijden naar Ulaanbaatar, zingt onze chauffeur uit volle borst. We vragen hem om het lied te vertalen. ‘Het is een liefdeslied, maar niet voor een vrouw: de zanger wijdt het lied aan zijn paard.’ En hij valt weer in. We luisteren zwijgend naar deze bijzondere nomade. 

Tags

Lees ook

Aanbevolen voor jou