L'Officiel Art

Het verhaal achter de design-denkers van studio Formafantasma

Studio Formafantasma behoort internationaal gezien tot de meest toonaangevende designstudio’s van het moment. Wij spreken het duo over Italië versus Nederland, ontwerpfilosofie en duurzaam design. ‘Er zijn misschien betere ontwerpers, maar wij hebben de ideeën voor de toekomst.’
Reading time 14 minutes

Er heerst een extreme rust. Een soort van rust die je soms kan overweldigen als je een kerk binnenstapt. Maar we zijn niet in een kerk, we zijn in de studio van Formafantasma, werkplaats van de ontwerpers Andrea Trimarchi (1983) en Simone Farresin (1980). Deze Italianen streken in Amsterdam neer en bestormen vanuit daar de designwereld op eigen wijze in een mum van tijd. Alhoewel, bestormen is een veel te heftige term voor de twee ontwerpers, die zeer weloverwogen te werk gaan. De studio in Amsterdam-Noord ziet er bijzonder netjes uit. ‘Oh nee, het is nu juist een rotzooi’, werpt Farresin tegen. Maar in de lichte ruimte zijn de metalen stellingkasten met minutieuze precisie ingericht en de houten tafels vrijwel leeg. De aanwezige medewerkers zitten rustig buiten om in de lentezon gezamenlijk de lunch te nuttigen. De sfeer is ingetogen en harmonieus. Binnen maakt het ontwerpduo ruimte aan een tafel voor het interview.

Vertel, hoe komen twee Italianen in Nederland terecht?
Trimarchi: ‘Heel simpel. We wilden gaan studeren aan de masteropleiding van de Design Academy in Eindhoven. En Eindhoven ligt in Nederland.’

Waarom daar?
Trimarchi: ‘Simone en ik hebben elkaar ontmoet op de kunstacademie in Florence, maar we wilden op het allerhoogste niveau studeren. We hebben ons daarom in 2007 als duo aangemeld voor de Design Academy. Gijs Bakker (ontwerper en docent aan de academie, red.) dacht: of het is bullshit, dat teamgebeuren, of het wordt geweldig. Gelukkig besloot hij tot het laatste en nam ons aan.’

Hoe was het om als Italiaan in Eindhoven te belanden?
Farresin, lachend: ‘Het tegenovergestelde van Florence is Eindhoven. Maar het was heel verfrissend. Juist omdat het contrast zo groot is. In Florence struikel je over de historie, kunst, musea. Eindhoven is een technische stad. Het was wat we zochten. En de docenten op de academie waren geweldig. Iemand als Louise Schouwenberg (hoofd van de masteropleiding Contextual Design aan de Design Academy Eindhoven, red.) heeft ons echt geïnspireerd met haar kijk op kunst, filosofie en psychologie. We voelden direct een connectie. Zij gaf ons structuur en inspiratie.’

Het lijkt me best lastig om in één ruimte te wonen en te werken.
Trimarchi: ‘Nee hoor. Ik ben zeer georganiseerd.’

Farresin: ‘Oh ja, dat is hij!’

Trimarchi: ‘Pragmatisch en efficiënt zijn, dat hebben we van de Nederlanders geleerd.’ Farresin vult aan: ‘Het gaat zelfs verder dan dat. Conceptueel denken, ja dat is het. Dat hebben we meegekregen hier in Nederland.’

Hoe komt dat?
Trimarchi: ‘Ontwerpen in Italië is iets anders dan in Nederland. Hier valt het onder het ministerie van Cultuur, in Italië onder het ministerie van Economie. Dat zegt alles, denk ik. Design wordt hier heel anders benaderd. Het heeft te maken met research en kunst. Niet met produceren.’

Farresin: ‘Vergeet niet: Italië heeft een maakcultuur. Er zijn veel hoogwaardige fabrieken. Nederland heeft een denkcultuur. Dat is het verschil. Een idee is hier belangrijker dan een eindproduct. Maar laten we eerlijk zijn: veel design wordt uiteindelijk ook weer in Italië gemaakt. Dus ik denk dat we het beste van beide landen hebben weten te verenigen!’

We verkassen naar buiten. De medewerkers van Formafantasma gaan binnen in de studio weer aan het werk. In stilte.

Nog even, Italië is toch het land waar het gebeurt op het gebied van design?
Farresin: ‘We merkten tijdens onze studie in Italië dat het daar dus niet gebeurde! Althans niet voor jonge ontwerpers. De gevestigde orde heerst. Italië is beroemd om haar designcultuur, maar er is geen ruimte voor nieuwe kunstenaars. Men lijkt er nog steeds te leunen op het postmodernisme van Sottsass, de grote meesters. Maar na Memphis volgde Droog Design in Nederland. Instinctief voelden we dat we hier moesten zijn.’

Dat klopt, maar Droog Design bestond dit jaar 25 jaar en dat is nou niet bepaald groots gevierd.
Trimarchi stellig: ‘Nee, bizar! Droog is een instituut. Het is ongelofelijk dat Nederlanders zo slecht realiseren hoe toonaangevend deze designstroming is geweest. Droog verdient zoveel meer credits.’

Farresin: ‘Zonder Droog geen Dutch Design. De directheid in de ontwerpen is heel interessant. Alhoewel wij echt ongelofelijk moesten wennen aan de directheid van de Nederlanders. En het overvalt me na tien jaar hier wonen nog steeds, moet ik bekennen. Men is onbeschoft, soms. En dan het weer natuurlijk, maar het is ook heel Hollands om daarover te klagen, dus dat doen we niet.’

Nog andere opvallende zaken?
Trimarchi: ‘Wat mij opvalt is dat Nederlanders een probleem lijken te hebben met schoonheid. De calvinistische inborst heerst nog steeds. Het lijkt alsof men hier bang is voor decoratie, voor iets mooier maken. Wij zijn opgegroeid in een land waarbij dat juist gewaardeerd wordt.’

Farresin breekt in: ‘En toch is dat ook niet helemaal waar. Kijk naar een label als Moooi. Als er ergens veel decoratieve elementen opduiken is het in hun collecties. Dus die vlieger gaat niet helemaal op.’

Jullie verhuisden vier jaar geleden opnieuw. Van Eindhoven naar Amsterdam.
Farresin: ‘Dat klopt. Eindhoven moet geroemd worden als stad. Het is geweldig wat de stad weet te betekenen voor design en technologie. Maar wij wilden verder. Amsterdam is internationaler, Eindhoven is een bubbel. We moesten onze studio pushen. Groter worden, grootser denken.’

Trimarchi: ‘Maar we komen er nog regelmatig, want we geven nu allebei les op de Design Academy. Wat overigens ontzettend leuk is om te doen. Het is een zware opleiding, een pijnlijk proces vaak. Maar het is fijn om nu jonge ontwerpers iets bij te brengen. En na het gevecht ontstaat er vaak iets moois.’

Jullie begonnen jullie studio in 2009, midden in de economische crisis.
Trimarchi: ‘Spannend, inderdaad. Maar de crisis was een keerpunt. Daarvoor kon het niet op. Luxe, extravagantie. Maar dat was men zat. En ons werk was juist het tegenovergestelde. Dat verklaart wellicht het succes.’

De lijst met opdrachtgevers is indrukwekkend: Hermès, Droog Design, Flos, Fendi. En jullie zijn pas negen jaar professioneel bezig.
Farresin: ‘Dank je wel. Wij zijn zeer gedisciplineerd. En dat werpt zijn vruchten af.’

Trimarchi: ‘En dan doen we ook nog veel consultancy, dus daarvan zie je geen concrete resultaten.’

Jullie werken gewoon heel hard?
Farresin: ‘Jazeker! Andrea is ongelofelijk georganiseerd. Een efficiënter iemand dan hij ga je niet vinden. Het maakt dat we geen tijd verspillen.’

Trimarchi enigszins beschroomd: ‘Ik wil gewoon concreet zijn. Het klinkt misschien arrogant, maar wij willen alleen met de besluitvormers bij een bedrijf spreken. Daarmee vermijden we ellenlange voorgesprekken en kunnen we direct spijkers met koppen slaan. En die tactiek werkt gewoon.’

Hoe ziet jullie werk er van dag tot dag uit?
Trimarchi: ‘Wij werken elke dag volgens een strak schema. Om kwart over zeven staan we op. Het ontbijt hebben we de avond ervoor al voorbereid. En dan gaan we wandelen of fietsen. Om stipt negen uur start onze werkdag en we stoppen om half zeven. We werken nooit ’s avonds.’

Nooit?
Farresin: Nee, nooit! Heel af en toe werken we een dag in het weekend. Maar dan altijd zonder ons team, just the two of us.’

Gedisciplineerd hoor.
Farresin, lachend: ‘Het gaat om discipline. En we zeggen ook best vaak nee tegen opdrachten. Toch?’

Trimarchi knikt: ‘Jazeker. Selecteren is belangrijk.’

Farresin: ‘Natuurlijk willen we als studio groeien, maar persoonlijke groei is minstens zo belangrijk. Onlangs zei ontwerper Hella Jongerius nog iets moois tegen ons: “Play your cards really well.”Het gaat om jouw ideeën en die moet je beschermen.’

Hoe is jullie werkverdeling? Jullie praten namelijk als één persoon.
Beiden: ‘Haha, ja, en zo werken we ook!’

Trimarchi: ‘We hebben geen verdeling. We doen alles samen. En als we een discussiepunt hebben praten we met elkaar, omdat we anders niet verderkomen.’

Farresin: ‘Geloof me, wij praten heel veel. Soms zelfs te veel. Eindeloos. En altijd met veel passie. Maar als een werkdag over is, gaat de knop om. Dan laten we het los.’

Wonderbaarlijk.
Farresin: ‘Dat hebben we elkaar wel moeten leren. Maar don’t worry, we maken ook elke dag ruzie, hoor!’

Ruzie is belangrijk.
Farresin: ‘Wij zeggen alles tegen elkaar. Het wordt pas vervelend als we nerveus zijn of als we het heel druk hebben. Dan merk ik dat we meer ruzie maken. In de beginfase van een project zijn we meestal relaxed.’

Jullie nemen veel tijd voor de researchfase.
Trimarchi: ‘Soms wel twee jaar. Zoals bij het Ore Streams-project, dat we voor de National Gallery of Victoria in Melbourne hebben gedaan. Dat gaat over productie, consumptie en afval. Die cyclus hebben we onderzocht, waarin we uiteindelijk een meubelcollectie hebben gemaakt van overblijfselen van technologie.’

Farresin: ‘De verschuiving van de winning van kostbare metalen naar afgedankte technologie vinden we zowel choquerend als interessant.’

Twee jaar ...
Farresin: ‘En we gaan er trouwens nog twee jaar aan werken! Wij hebben talloze gesprekken gevoerd met experts op het gebied van recycling, waaronder academische onderzoekers, bedrijven die zich met de recycling van e-waste bezighouden en elektronicafabrikanten. Het resultaat is een reeks video’s van deze gesprekken. Maar we zijn nog niet klaar met ons onderzoek.’

Trimarchi: ‘De menselijke hebzucht naar metalen is zo groot dat aan het eind van deze eeuw de grootste metaalreserves niet ondergronds, maar bovengronds zullen zijn.’

Farresin: ‘Met name consumentenelektronica is de grote boosdoener. Al die afgedankte mobieltjes, computers, ai ai ai …

‘De verschuiving van de winning van kostbare metalen naar afgedankte technologie vinden we zowel choquerend als interessant’

Materiaal is belangrijk in jullie werk. Niet alleen in esthetisch opzicht. Jullie lijken telkens te willen onderzoeken waar materialen vandaan komen.
Trimarchi: ‘Precies! En dat kan resulteren in bijvoorbeeld de serie conceptuele meubels die we voor de National Gallery of Victoria hebben ontworpen.’

Farresin: ‘We werken er nog steeds aan. Het eindproject wordt geshowd tijdens de Triënnale in Milaan.’

Houden jullie van langlopende projecten?
Trimarchi: ‘Absoluut. Het is een luxe om dat te doen …’

Farresin onderbreekt: ‘Maar werken voor een interieurlabel als Cassina of Flos is ook geweldig. Anders, maar ook boeiend. Dan ontwerpen we een concreet product en daarvoor is de tijdspanne stukken korter. Het dwingt ons om in verschillende ritmes te werken.’

Waarom wil een bedrijf als Cassina met jullie werken?
Farresin, hard lachend: ‘Omdat Patricia Urquiola (artdirector van Cassina, red.) ons werk leuk vindt!’

Trimarchi: ‘Nee, dat is echt wat ze zei! Leuk, hè? Weet je, Italiaanse interieurmerken zijn vaak nog familiebedrijven. Ze zijn niet zo marketinggedreven. Zoals bijvoorbeeld bij Flos. Toen we daar om de tafel zaten met Piero Gandini, de CEO, spraken we over het leven, over gevoel, over esthetiek. Dat is een totaal andere houding.’

Farresin: ‘Hetzelfde geldt voor Patricia Urquiola. Zij is een wilde dame. Bij haar gaat het over gevoel. Niet te veel nadenken. Zij schept de ruimte om te kunnen experimenteren.’

En als morgen IKEA belt?
Beide: ‘Zeg maar dat ze mogen bellen! Dan gaan we iets indrukwekkends ontwerpen. Zij hebben impact en kunnen het verschil maken. Maar een meer holistische manier van produceren zullen we zeker afdwingen!’

In hoeverre is sustainable design een belangrijk aspect van jullie werk?
Farresin: ‘Dat is heel belangrijk. We werken nu bijvoorbeeld samen met een elektronicamerk. Eigenlijk alleen aan het esthetische gedeelte, maar ik denk dat we op weg zijn naar een gesprek over andere zaken, zoals duurzaamheid, het productieproces onder de loep nemen. Dat vinden wij heel belangrijke onderwerpen. Zij produceren miljoenen telefoons en hebben dus macht. Waar produceren, hoe produceren, welke materialen, dat soort vragen. En: wat gebeurt er met het afval?’

Soms schuilt er ook een politiek element in jullie ontwerpen.
Trimarchi: ‘We hebben onze opleiding genoten in Florence, op een school die is opgericht door Gilberto Corretti, een voorvechter van de Radical Movement. Daar is onze basis gelegd.’

Farresin: ‘Maar vrij denken hebben we in Nederland geleerd. Dat vind ik een groot goed.

Modemerken weten jullie ook te vinden.
Farresin: ‘Ja, zoals Hermès, Fendi en Sportmax. Vaak geven modemerken best wel veel vrijheid, wat wij erg waarderen. En ze hebben budget. Dat is heel fijn. Modemerken hebben over het algemeen veel meer geld dan interieurmerken.’

Jullie hebben ook een modeshow vormgegeven. Dat lijkt me in contrast staan met wat jullie net zeiden.
Farresin: ‘Klopt! Dat was iets wat we haten, maar tegelijkertijd ook heel boeiend vinden. Je ontwerpt iets wat slechts een kwartier dienstdoet. Daarna wordt alles afgebroken en weggegooid. Dat uitgangspunt hebben we juist gebruikt voor de show van Sportmax. We hebben het decor van foam gemaakt en een deal gesloten met de producent. We hebben het materiaal gehuurd. Dus na de show kwamen ze het schuim weer netjes ophalen. Zo hebben we geen materiaal verspild!’

Slim!
Trimarchi: ‘Ja, en het spoorde ons ook aan om verder te denken. Want sfeer kun je ook creëren door licht of muziek. Manieren die geen aanslag op ons milieu zijn.’

Farresin: ‘Wij houden van mode. Maar hoe de modewereld nu functioneert is bizar. Maar ik geef toe: soms ben ik jaloers op de luchtigheid en de gekheid die er binnen de modewereld heerst.’

Trimarchi: ‘De gekte is inderdaad leuk, maar meer nadenken over de impact op onze aarde zou geen overbodige luxe zijn.’

Farresin: ‘Daarom streven wij er ook naar om geen trendgevoelige dingen maken. We willen tijdloze objecten ontwerpen die een leven lang meegaan en mooi blijven.’ 

Valt er nog wat te dromen?
Farresin: ‘We hebben geen droomopdrachten, maar droomklanten. En dat is voor ons een holistisch denkende opdrachtgever.’

Trimarchi: ‘Duurzame ontwikkeling, daarover willen we nadenken. Designers moeten zich, naast technici en denkers, daarmee bezig houden. Want wij zijn hard nodig.’

Lees ook

Aanbevolen voor jou