Fashion

Alexander McQueen, de Mozart van mode.

De openhartige, ontroerende en schokkende documentaire McQueen belicht acht jaar na zijn zelfgekozen dood het leven en werk van de Britse designer Alexander ‘Lee’ McQueen. In nog geen twee decennia creëerde hij meer kleding dan de meeste ontwerpers in hun hele leven en zijn controversiële shows brachten de modewereld in beroering. Wie was dit uitzonderlijke talent en wat is zijn nalatenschap?
Reading time 9 minutes

Dat Alexander McQueen (1969-2010) een complexe persoonlijkheid had, is een understatement. Zoveel is wel duidelijk na het zien van de opvallend openhartig en indringende documentaire die regisseurs Ian Bonhôte en Peter Ettedgui maakten over het leven van dit opvallend getalenteerde mode-icoon. Het kijken naar de twee uur durende film voelt, net als zijn meeste shows, als een trip waarin de kijker wordt meegevoerd in de belevingswereld van de in beginsel zo verlegen Brit. Het regisseurstweetal kon putten uit een onvoorstelbare schat aan materiaal. Eigenlijk alle vrienden en collega’s van McQueen werkten mee en de makers spelden elk schaars interview dat de ontwerper ooit heeft gegeven. Bovendien kregen zij toegang tot zijn persoonlijke videoarchief waarin het uitzonderlijke talent al zijn shows en de voorbereidingen uitgebreid had gedocumenteerd.

Sprookje

Het levensverhaal van Lee, zoals zijn goede vrienden hem altijd bleven noemen, had in eerste instantie veel weg van een sprookje. De jongen groeide op in een eenvoudig gezin in Lewisham, Zuid- Londen. Terwijl zijn meeste leeftijdsgenoten kozen voor een carrière als loodgieter, bouwvakker of taxichauffeur (zoals zijn vader, een Schot), vormde zich in het hoofd van de schuchtere McQueen, de jongste van zes kinderen, een heel ander toekomstplan. Op school was hij geen uitblinker; pas op de diverse stages die hij zelf regelde bij een aantal kleermakers begon de tiener langzaam maar zeker op te vallen. De vlieguren die Lee maakte bij Anderson & Sheppard, Gieves & Hawkes en Angels & Bermans leerden hem alles wat hij op technisch gebied moest weten over het ontwerpen van kleding. Zijn vakmanschap bezorgde hem een plek aan de prestigieuze modeacademie Central Saint Martins, waar McQueen op zijn 23ste met prachtige cijfers afstudeerde. Hier kreeg hij ook het advies zich te profileren met zijn tweede naam Alexander, omdat dat beter in het gehoor lag.

Hooligan of fashion

De jonge ontwerper raakte in deze periode goed bevriend met de invloedrijke stylist Isabella Blow, die zich ontpopte tot zijn grote mentor en muze. Dankzij haar contacten maakte McQueen snel naam in de Londense kunstenaarsbuurt Hoxton. Hier creëerde hij zijn eerste officiële collecties, die eigenlijk meteen internationaal de aandacht trokken. Het werk van McQueen viel niet alleen op door de sinistere, vaak zelfs morbide thema’s van zijn shows, zijn felle kleuren en zijn fascinatie voor dood, verderf en het menselijk lichaam (zijn collecties bevatten niet zelden schedels en skeletten), maar ook door zijn uitzinnige presentaties. ‘Mode is een grote luchtbel die ik het liefste door zou willen prikken’, is een van zijn bekende citaten. Zijn fashionshows lieten zich eerder duiden als kunstinstallatie dan als eenvoudige catwalkroutine. ‘Elke ontwerper wil een illusie creëren’, was zijn motto. ‘Ik wil iets maken waarover de mensen nog dagen napraten, iets wat hun gedachten verstoort.’ Dat ging hem goed af: de Britse media smulden van ‘the hooligan of English fashion’, zoals de ontwerper al snel werd gedoopt.

Moderne ridders

De designer volgde zijn instinct en liet zich inspireren door zijn eigen angsten, obsessies en dromen, maar ook door mythen, boeken, schilderijen en legenden. ‘Ik vind mijn grootste inspiratie in het groteske’, stelde Lee ooit. ‘Het liefst trek ik de hele dark side van mijn ziel leeg en confronteer iedereen daarmee op de catwalk.’ Hij bouwde presentaties op rond thema’s als Dante’s Inferno, de sprookjes van Grimm of legenden als Jason en het Gulden Vlies (met Naomi Campbell die enorme ramshoorns op haar hoofd droeg). Zijn vroege shows droegen al titels als McQueen’s Theatre of Cruelty of Highland Rape. Met zijn afstudeerproject Jack the Ripper Stalks His Victims zette hij direct de toon: hij vertaalde de angst die deze beroemde moordenaar in de negentiende eeuw zaaide in Londen naar bloedrode gothic-kleding met prikkeldraadmotieven. In alle kleding had McQueen een pluk van zijn eigen haar verwerkt, zoals in de Victoriaanse tijd vaak een restje haar van een overleden geliefde werd bewaard. Naaktheid was in zijn presentaties iets vanzelfsprekends, omdat ‘mijn shows over seks, drugs en rock-’n-roll gaan’, zei hij zelf. ‘Ik wil kippenvel, ik wil opwinding! I want heart attacks and ambulances.’ De Brit, tijdens zijn shows zelf steevast gekleed in een slonzige broek en sneakers, genoot er ook van om de reacties in de zaal te zien als hij zijn nieuwe collecties presenteerde. Maar het was niet alleen het uiterlijke spektakel waarmee McQueen zijn naam vestigde. Zijn prêt-à-portercollecties straalden kracht en onafhankelijkheid uit en werden gedragen door vrouwen die daarmee een duidelijk statement wilden maken. ‘De vrouwen die McQueen dragen zijn moderne ridders die zijn kleding beschouwen als een krachtveld waarmee zij zichzelf kunnen beschermen tegen de wreedheid van het bestaan’, zoals zijn mentor Isabella Blow het ooit omschreef.

Stijgende roem

McQueen ging naarmate zijn carrière vorderde steeds meer experimenteren. Hij liet Shalom Harlow tijdens een presentatie een witte jurk dragen die werd ondergespoten door twee verfrobots. Voor de Widows of Culloden-show voerde hij een levensgroot hologram van Kate Moss op. Hij liet zijn modellen voor zijn herfstcollectiepresentatie van 2002 opkomen met echte wolven. Lee hield ervan om met alle conventies te breken. In 1998 vroeg hij paralympisch atleet Aimee Mullins, die beide benen mist, als model voor zijn nieuwe collectie. Zijn onconventionele aanpak trok de aandacht van grote sterren zoals David Bowie, die McQueen vroeg om onder meer zijn iconische ‘Union Jack’-jas te ontwerpen, en Björk, voor wie hij de outfit op de cover van haar derde plaat Homogenic maakte. Lady Gaga en Rihanna behoorden tot McQueens trouwste klanten. Op deze manier begon zijn werk deel uit te maken van de mainstreamcultuur en kreeg hij ook steeds meer bekendheid bij het grote publiek.

Zijn roem ging echter gepaard met een hoge prijs. Op zijn 27ste kreeg de Brit de kans hoofdontwerper te worden bij het Parijse modehuis Givenchy. Voor een jaarsalaris van een half miljoen moest hij tien collecties per jaar afleveren, maar mocht tegelijkertijd doorgaan met het uitbrengen van werk voor andere huizen. In 2001 volgde een samenwerking met de Gucci Groep, die 54 miljoen pond in McQueen investeerde, tien winkels met zijn naam opende en hem in Parijs een eigen couturehuis gaf. Tussen 1996 en 2003 werd McQueen vier maal uitgeroepen tot designer van het jaar, een erkenning die naast al het werk een enorme druk op zijn schouders legde. Een grote klap voor McQueen was de zelfmoord van zijn mentor Isabella Blow, die haar hele leven al kampte met depressies. De overstap naar Gucci door een uniek aanbod waarbij zij een grote rol had gespeeld maar hiervoor niet de erkenning kreeg, leidde tot een ruzie die McQueen deed besluiten haar uit zijn zakelijke imperium te stoten. Twee jaar later verliet Blows echtgenoot haar, na een affaire met een van haar concullega’s, een redacteur van Harper’s Bazaar. McQueen probeerde de dood van ‘Izzie’ en de druk van jarenlang keihard werken het hoofd te bieden met drank en drugs. Hij kreeg last van woede-uitbarstingen en viel voor het minste of geringste uit tegen mensen met wie hij al meer dan tien jaar samenwerkte. De ontwerper leek het plezier in zijn werk kwijt te zijn. ‘Je moet weten wanneer het tijd is om te stoppen’, was iets wat McQueen altijd al had gezegd. In oktober 2009 presenteerde hij Plato’s Atlantis, een uitzinnige collectie waarvoor de fervente duiker zich liet inspireren door de zeewereld in het algemeen en de legende van de verzonken stad in het bijzonder. De show en de ontwerpen vertelden een verhaal over de menselijke evolutie en de zorgen over de klimaatveranderingen en de gevolgen voor de aarde. Alleen in de zee zou de mensheid kunnen overleven, bepleitte McQueen met zijn imposante collectie vol reptielen, slangen en waterwezens.

Neerwaartse spiraal

Het werd zijn laatste show. Begin februari overleed zijn moeder, met wie hij een onvoorstelbaar hechte band had. Het bleek het laatste duwtje na een jarenlange neerwaartse spiraal: op 11 februari 2010, de avond na haar begrafenis, beroofde het talent zichzelf van het leven. Zijn as werd, op zijn eigen verzoek, uitgestrooid over het Schotse eiland Skye; McQueen voelde zich zijn hele leven nauw verbonden met zijn Schotse familiegeschiedenis. De herdenkingsdienst vond plaats in St Paul’s Cathedral in Londen en werd bijgewoond door bijna drieduizend grootheden uit de modewereld. Alle grote namen met wie hij ooit samenwerkte betuigden in de maanden na zijn dood eer aan hem. Lady Gaga droeg het nummer Fashion Of His Love op haar derde album Born This Way aan hem op. Veel van zijn vaste modellen, zoals Naomi Campbell, Kate Moss en Annabelle Neilson, droegen in de weken na zijn overlijden de Mantajurken, door mantaroggen geïnspireerde ontwerpen die hij in 2009 presenteerde na een duikvakantie op de Malediven, een collectie die een vingeroefening bleek voor Atlantis.

Het Metropolitan Museum of Art in New York opende nog geen jaar later Savage Beauty, een enorme tentoonstelling gewijd aan het werk en leven van Alexander McQueen. Op verzoek van de fans was de expositie later ook te zien in het Victoria & Albert Museum in Londen. In beide musea werd het de best bezochte tentoonstelling ooit; wachttijden van een paar uur waren, zeker in New York, eerder regel dan uitzondering. ‘Eens in de zoveel tijd staat er een talent op dat een nieuwe richting creëert en een nieuwe impuls geeft met zulke verstrekkende gevolgen’, stelt regisseur Bonhôte, die een vergelijking trekt met de betekenis van Mozart en Picasso. ‘Alexander inspireerde een hele nieuwe generatie, niet alleen ontwerpers, maar ook musici en filmmakers. Jonge ontwerpers hebben geen interesse meer in grote namen als Chanel of Lagerfeld. Maar ze kennen wel McQueen en zijn passie voor het vak. En ze weten waar hij vandaan kwam. Er is in de mode een tijd vóór en een tijd na McQueen. Hoeveel invloed zijn erfenis echt heeft gehad, zal pas over lange tijd echt te bepalen zijn.’ 

Foto: Isabella Blow en McQueen in betere tijden (1996)

De documentaire ‘McQueen’ van Ian Bonhôte en Peter Ettedgui is nu te zien.

Tags

Lees ook

Aanbevolen voor jou